De afwijkingen aan de benen of voeten zijn bij ieder kind anders. De behandelingsmogelijkheden zijn per kind dan ook verschillend, afhankelijk van de ernst en de uitingsvorm. De uiteindelijke omvang van het defect is echter bij de geboorte nog niet altijd helemaal duidelijk, ook niet op de röntgenfoto. Omdat het kind nog gaat groeien is het meestal niet mogelijk direct na de geboorte een definitief oordeel te geven voor de toekomst. Wel is duidelijk dat het verkorte been naar verhouding meegroeit. Als de voet zich bij geboorte bevindt ter hoogte van het midden van het onderbeen aan de gezonde kant, zal dat ook zo zijn als het kind uitgegroeid is. Benen zijn bedoeld om op te kunnen staan en lopen. Om goed te kunnen lopen, moeten de benen ongeveer even lang zijn.
Omdat een kind in het eerste levensjaar nog nauwelijks loopt, zal een (groot) verschil in beenlengte het nauwelijks in zijn ontwikkeling remmen. Soms is een operatieve ingreep in het eerste levensjaar toch nodig, om staan en lopen mogelijk te maken, met of zonder een prothese. Vaak moet worden afgewacht hoe het lichaamsdeel groeit en wordt alleen een prothese verstrekt om het verschil in beenlengte te compenseren. Pas op latere leeftijd vindt dan een standcorrigerende en/ of beenverlengende operatie plaats. Ook jonge kinderen met een aanlegstoornis aan de voet kunnen normaal functioneren en zullen pas rond het eerste levensjaar hulpmiddelen, zoals een prothese of aangepast schoeisel nodig hebben. Een klein deel van de kinderen, met een zeer uitgebreide, complexe aanlegstoornis zal in zijn leven vooral gebruik maken van een rolstoel of een aangepaste fiets.