MCG Ouderhandboek Handboek Home
normaal groter zeer groot Verander de tekstgrootte   
Print Mail Home Home    Mail    Print
Inhoudsopgave | Forum | Links | Literatuur |

Visus: vaker visuele stoornis bij mcg'ers

Verstandelijk gehandicapten zijn veel vaker slechtziend of blind dan de gemiddelde inwoner van Nederland. Het aantal mensen met slechtziendheid of blindheid wordt binnen de totale bevolking geschat tussen 1,2% en 2%. Uit onderzoek bij volwassen verstandelijk gehandicapten blijkt dat in deze groep 14% slechtziend en 5% blind is. Een (zeer) ernstige verstandelijke handicap geeft extra risico op visuele stoornissen. Dan loopt het percentage op tot zelfs meer dan 60%. 
De World Health Organisation (WHO) noemt iemand slechtziend bij een gezichtsscherpte tussen 5% en 30% of een gezichtsveld kleiner dan 30 graden. Is de scherpte minder dan 5% of is het gezichtsveld kleiner dan 10 graden, dan wordt iemand als blind beschouwd. Veel belangrijker dan deze getallen is echter of een visuele stoornis voor iemand een belemmering is voor het welbevinden, zijn ontwikkeling en mogelijkheden.

Op dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:

 Invloed van slechtziendheid op de ontwikkeling
Het zien speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling. Iets zien maakt een kind nieuwsgierig. Visuele stoornissen kunnen een kind beperken in de ontwikkeling. Elk kind leert zijn wereld kennen en begrijpen door de zintuigen. Als uw kind blind of slechtziend is, kan het niet of in mindere mate gebruik maken van het zien als informatiebron. Slechtziende/blinde kinderen worden niet altijd gemakkelijk uitgedaagd om de omgeving te verkennen. Er moet soms gezocht worden naar andere ingangen om het kind ervaringen te laten opdoen. Het gebruik van de andere zintuiglijke kanalen (horen, voelen, ruiken en proeven) wordt dan belangrijk.
We noemen enkele ontwikkelingsgebieden die kunnen worden beïnvloed door de slechtziendheid/blindheid van uw kind:

  • Hechting
    Al snel na de geboorte beginnen kinderen een relatie op te bouwen met een belangrijke andere (meestal moeder en/of vader). Signalen die een kind met een ontwikkelingsachterstand uitzendt zijn vaak moeilijker te interpreteren en hierdoor wordt het lastig om als ouder juist te reageren. Het slechtziende/blinde kind heeft een aantal gedragskenmerken die maken dat het nog moeilijker is om adequaat te reageren. Bijvoorbeeld het verstillen bij binnenkomst; het kind is intensief aan het luisteren naar wat er gebeurt, wat het hoort en soms wendt het zijn hoofd af en richt het oor naar degene die binnenkomt. Het afwenden van het hoofd en richten van het oor wordt vaak ten onrechte als afwijzend ervaren. Een belangrijk aspect in de hechting is het maken van oogcontact. Veel slechtziende kinderen maken niet of slechts in bepaalde omstandigheden oogcontact. De terugkijkreactie is vaak niet of nauwelijks aanwezig. Met een glimlach trekt het kind de ander naar zich toe. Bij slechtziende kinderen en blinde kinderen treedt deze reactie ook op, maar veel meer als reactie op een aanraking. Het verliest dan de functie om de ander naar zich toe te trekken.
  • Motoriek
    Het zien is een belangrijke informatiebron voor de motorische activiteit. De grove en fijne motoriek van een kind worden aangestuurd en bijgestuurd vanuit het zien. Je kunt je voorstellen dat als je niet via het zien geprikkeld wordt door zaken in de omgeving, dit gevolgen heeft voor het oprichten van je hoofd, de ontwikkeling van je hoofdbalans, reiken en grijpen etc. Bewegingsgedrag van kinderen met een visuele beperking is daarom vaak minder doelgericht. 
  • Spel
    Kinderen spelen een groot deel van hun leven. Spelen is een belangrijke voorwaarde voor verdere ontwikkeling. Door het uitproberen leren kinderen. Slechtziende/blinde kinderen hebben vaak minder inzicht in hoe ze met bepaalde zaken kunnen experimenteren. Dikwijls ontdekken ze bijvoorbeeld bij spelmateriaal slechts één variant, omdat die gezien de beperking het meeste effect heeft, zoals het gooien van materiaal omdat dit zo'n leuke geluidsprikkel geeft. Dat je eveneens het materiaal kunt bevoelen, wordt niet altijd spontaan ontdekt. Slechtziende/blinde kinderen hebben nogal eens extra aanpassingen nodig om tot spel te komen. Het tempo van spel ligt vaak lager. Ook vinden ze het meestal  prettig om steeds dezelfde handeling te verrichten met speelgoed of spelmateriaal of met lichaamsdelen, bijvoorbeeld met hun handen. Dit biedt hen een bepaalde vorm van veiligheid. Het is dan belangrijk om binnen het vertrouwde spelniveau meer variatie aan te brengen. 

Bij dit alles blijft het steeds de vraag wat wordt bepaald door het verminderde gezichtsvermogen, wat wordt bepaald door de motorische beperking, wat door de verstandelijke beperking en hoe de verschillende beperkingen op elkaar ingrijpen. Aanvullend onderzoek kan hier soms meer duidelijkheid over geven.

« Terug naar top 

 Onderkennen van visuele stoornissen
Op de consultatiebureaus voor zuigelingen en kleuters wordt systematisch onderzoek gedaan naar visuele stoornissen. Echter, ernstig meervoudig gehandicapte kinderen komen meestal niet op deze bureaus. Het is dan vaak de kinderarts, kinderneuroloog of revalidatiearts die deze taak op zich neemt. Daar iedereen vroege opsporing en behandeling van visuele stoornissen bij kinderen  onderschrijft heeft de Nederlandse Vereniging van Artsen in de Zorg voor mensen met een verstandelijke handicap in 1997 hiervoor richtlijnen gepubliceerd. Maar de beste onderkenners van problemen met het zien zijn meestal toch de ouders en verzorgers van kinderen. Zij zijn de eersten die merken dat het kind bijvoorbeeld niet gericht kijkt naar speelgoed of nauwelijks oogcontact maakt. Maak uw zorgen kenbaar bij de behandelende specialist van uw kind en vraag naar verder onderzoek en/of verwijzing.

« Terug naar top 

 Signalen die kunnen wijzen op een visuele stoornis
Een enkel signaal is geen reden om te twijfelen aan het zien van uw kind. Maar wanneer u meer signalen bij uw kind herkent, is het goed om het zien te bespreken met de behandelend arts en vragen te stellen, zodat er beoordeeld kan worden of en waar onderzoek naar het zien kan plaatsvinden.
De volgende signalen kunnen worden onderscheiden (overigens is de lijst niet compleet):

Uiterlijk

  • niet recht staan van de ogen/scheelzien
  • draaien naar of afwenden van het licht
  • trillen van de ogen
  • dwalende oogbewegingen
  • het duwen of boren in de ogen

Visueel

  • niet of nauwelijks maken van oogcontact
  • spontaan de kijkafstand verkorten
  • staren naar lichtbronnen (lampen, de zon)
  • het hebben van een 'lege blik'
  • uitblijven van het richten van de blik op iets of iemand
  • niet of slechts kortdurend volgen

Reiken en grijpen

  • niet gericht reiken en grijpen
  • misgrijpen 
  • niet kijken tijdens het grijpen
  • niet zoeken naar een gevallen voorwerp

Lichaamshouding

  • slappe lichaamshouding, laten hangen van hoofd en schouders
  • weinig rompbewegingen
  • in zit groot steunvlak zoeken
  • scheve hoofdhouding

Sociaal

  • niet opkijken als er iemand binnenkomt of weggaat
  • schrikken wanneer iemand in zijn/haar richting beweegt
  • niet graag kijken naar personen of materialen
  • niet reageren als er iets te zien is in de directe omgeving
  • herkennen van ouder uitsluitend van zeer dichtbij of op basis van het horen, ruiken en/of voelen
  • overgevoelig reageren op geluidsprikkels
  • minder veilige contactontwikkeling 
  • verstillen

Spel

  • niet zoeken naar gevallen speeltje
  • minder verkennen van de spelmogelijkheden/ passiviteit
  • voortdurend herhalen van bepaald spel, nauwelijks spelvariatie
  • voorkeur voor speeltjes met geluidsprikkel
  • voorkeur voor speeltjes waar iets aan te voelen valt.
  • kijken naar vingers/ handen die soms heen en weer worden bewogen

« Terug naar top 

 Oorzaken van visuele stoornissen
Een visuele stoornis kan veroorzaakt worden door een oogaandoening of door een afwijking aan de visuele banen en visuele verwerkingsgebieden in de hersenen. Een combinatie van afwijkingen komt vaak voor. Dit is begrijpelijk omdat ogen en hersenen zich in nauwe samenhang met elkaar ontwikkelen.
Een groot deel van de hersenen is betrokken bij het zien. Een aantal aandoeningen en syndromen geeft extra risico op oogaandoeningen en visuele stoornissen. Een bekend voorbeeld is het syndroom van Down. 
Oogaandoeningen. Veel voorkomende oogaandoeningen bij verstandelijk gehandicapte kinderen zijn onder meer brilafwijkingen, scheelzien, nystagmus (een trilbeweging van de ogen), cataract (lenstroebeling), retinopathie (aandoening van het netvlies) en opticusatrofie (aandoening van de oogzenuw). Niet elke oogaandoening leidt vervolgens tot (blijvende) slechtziendheid.       
Cerebrale visuele stoornissen. Zien doen we niet alleen met de ogen, maar ook met onze hersenen. Die zijn actief betrokken bij het doorsturen en verwerken van de informatie die de ogen registreren. Beschadigingen van de visuele banen in de hersenen resulteren in cerebrale visuele stoornissen. Deze beschadigingen kunnen veroorzaakt worden door: infecties van het centraal zenuwstelsel, schedeltrauma, epilepsie, witte stofaandoeningen, stofwisselingsaandoeningen, circulatiestoornissen (zuurstofgebrek), aanlegstoornissen van de hersenschors, infantiele encephalopathie (blijvende hersenbeschadigingen bij kinderen). De problematiek van kinderen met een cerebrale visuele stoornis is niet gemakkelijk in algemeenheid te beschrijven omdat deze zeer gevarieerd is. Het kan zich uiten in verminderde gezichtsscherpte en beperkt gezichtsveld. Kinderen kunnen ook problemen hebben met de visuele waarneming (betekenis geven aan wat je ziet), bij het verwerken van zintuiglijke prikkels of het koppelen van informatie van verschillende zintuigen tegelijkertijd. Ook problemen met de oogbewegingen kunnen een gevolg zijn.
 
Enkele gedragskenmerken die we vaker bij kinderen met cerebrale visuele stoornissen zien zijn:  

  • wisselvalligheid in het kunnen gebruiken van het zien
  • niet of nauwelijks visueel nieuwsgierig
  • vertrouwdheid met omgeving of voorwerp kan een groot verschil maken voor het wel of niet kunnen zien
  • spontane kijkactiviteiten zijn meestal kort en komen minder vaak voor
  • bewegende voorwerpen lokken eerder kijkreacties uit dan stilstaande voorwerpen
  • ze zien er vaak niet als slechtziend uit en vaak lijkt het alsof ze mensen rechtstreeks aankijken
  • tegelijkertijd kijken en handelen (zoals bij het grijpen) is moeilijk

Zeker als er sprake is van wisselvalligheid in het visueel functioneren, is het vaak moeilijk voor mensen, in de directe omgeving van het kind, om een juiste inschatting te maken van de visuele mogelijkheden.

 

(Afbeelding oog en visuele banen)

« Terug naar top  

 Hoe onderzoek je emg-kinderen?
Oogheelkundig onderzoek Bij verdenking op visuele stoornissen is als eerste een onderzoek door een oogarts aangewezen. Deze kan onderzoeken of het oog gezond is en of het kind een bril nodig heeft. Ook naar scheelzien en nystagmus (trillen van de ogen) wordt gekeken. Met een soort microscoop kijkt de oogarts onder meer naar de helderheid van het hoornvlies en de binnen het oog gelegen delen, zoals de lens. Met een oogspiegel (een sterke lamp en een lens) wordt het netvlies bekeken en het begin van de oogzenuw. Meestal is het nodig pupilverwijdende oogdruppels toe te dienen voor het onderzoek. Soms is het zinvol aanvullend onderzoek te doen naar de netvliesfunctie en de functie van de oogzenuw met zogenaamd electrofysiologisch onderzoek (het meten van elektrische signalen). De oogarts verwijst dan soms naar een hierin gespecialiseerde afdeling.
Orthoptisch onderzoek Kinderen worden ook dikwijls verwezen naar de orthoptist. Die houdt zich vooral bezig met het behandelen van een lui oog en van scheelzien. Er wordt onderzocht of alle oogspieren goed werken en de ogen naar alle kanten kunnen bewegen. Er wordt beoordeeld hoe het zien zich ontwikkelt.
Visuele functies Zowel bij een oogheelkundig onderzoek als bij een orthoptisch onderzoek zal geprobeerd worden te meten hoe het gezichtsvermogen van het kind is. Een gezond oog wil niet altijd zeggen dat er ook een goed gezichtsvermogen bestaat. Bij ernstig verstandelijk gehandicapte kinderen is speciaal onderzoeksmateriaal nodig om de gezichtsscherpte (de mate van het detailzien) te bepalen. Zij zijn meestal immers niet in staat om plaatjes of figuurtjes te benoemen of aan te wijzen. Daarom wordt vaak gebruik gemaakt van testkaarten met een grijze achtergrond waarop aan één kant iets staat (bijvoorbeeld het zwart-wit streeppatroon bij de Tellerkaarten) en aan de andere kant niets. Het kind kijkt liever naar iets dan naar niets en zal de blik richten op de afbeelding of het patroon. Dit wordt genoemd 'preferential looking' (de voorkeur om naar een patroon te kijken in plaats van een egaal vlak). Hoe smaller de streepjes waar het kind naar kijkt of hoe smaller de contour van de afbeelding waar de blik op gericht wordt, hoe beter de gezichtsscherpte is. Natuurlijk is deze meting een grove meting.  Het zegt niets over de herkenning van iets wat gezien wordt.

 

(Afbeelding Tellerkaarten)


Als het niet mogelijk is met testkaarten te meten, kan een indruk van de gezichtsscherpte verkregen worden door te kijken of steeds kleiner wordende balletjes opgemerkt en eventueel gepakt worden.
Naast het vermogen details te zien, is het hebben van overzicht belangrijk voor het zien.
Visueel functioneren Hoe groot is het totale veld dat we nog overzien wanneer we naar een bepaald punt kijken, het gezichtsveld? Ook dit wordt met speciale methodes bepaald.Overige visuele functies die onderzocht kunnen worden zijn: kleurenzien, contrastzien, aanpassing aan het (schemer)donker, samenwerking tussen de ogen en oogmotoriek. 
Om een onderzoek te doen slagen is naast speciaal onderzoeksmateriaal, dat niet te veel eisen stelt aan de kinderen, voldoende tijd en geduld nodig. Ervaring in de omgang met kinderen met verstandelijke handicap is nodig. Daarom wordt het onderzoek vaak uitgevoerd door deskundigen van organisaties voor onderwijs, zorg en dienstverlening aan mensen met een visuele (en verstandelijke) beperking (Bartimeüs, De Brink, Sensis, Visio).
Visuele aandacht, kijkgedrag en visuele waarneming Ook als de gezichtsscherpte en het gezichtsveld goed zijn, kan het toch zijn dat het kind niet (goed) kijkt. Omgekeerd komt het voor dat een kind slechtziend is, maar wel goed kijkt.
Zien en kijken zijn twee verschillende dingen. Om dit goed in kaart te brengen, is observatie van het visueel functioneren in het dagelijks leven nodig. Ook hiervoor wordt vaak de hulp ingeroepen van de organisaties voor mensen met een visuele (en verstandelijke) beperking. Veel instellingen en kinderdagcentra voor verstandelijk gehandicapten werken al samen met deze organisaties. 

  • Voorbeeld: Tim is een jongen van 5 jaar. Hij bezoekt een kinderdagverblijf voor verstandelijk gehandicapte kinderen. Zijn verstandelijke ontwikkeling ligt rond de 12 maanden. Hij kan lopen, houdt erg van muziek en spreekt nauwelijks. Hij doet zelden  mee met activiteiten in de groep. Voortdurend staat hij op, klopt op de muren, tikt op de tafel of op de vloer. Hij kijkt mensen nauwelijks aan en heeft geen visuele belangstelling voor zijn omgeving.. Zijn gedrag wordt door de groepsleiding ook wel omschreven als autistisch. Bij oogheelkundig onderzoek blijkt dat hij ernstig bijziend is en een sterke bril nodig heeft. Zijn gezichtsscherpte is zeer laag. Bij de observatie blijkt dat zijn gedrag vooral bepaald wordt door het slechte zien. Hij maakt vooral gebruik van de tast en zijn gehoor om informatie uit zijn omgeving op te doen.
  • Voorbeeld: De ouders van Renate vinden het moeilijk om in te schatten wat zij ziet. Het ene moment raapt ze een rozijntje van de tafel op en het andere moment struikelt ze over de hond. Haar favoriete speeltje kan ze in de volle speelgoedkist niet vinden, terwijl ze het wel op veel grotere afstand op de verder nagenoeg lege tafel ziet liggen. Pas als mensen gaan praten, lijkt ze te weten wie het zijn. Renate heeft vlak na de geboorte een hersenbloeding gekregen en is daarom meervoudig gehandicapt. De oogarts constateert geen afwijkingen aan de ogen. Bij Renate blijkt sprake van een cerebrale visuele stoornis, waardoor ze o.a. moeite heeft met het zien in drukke, complexe situaties. Haar visuele aandacht is wisselend en ze kan kijken en doen niet altijd combineren.

« Terug naar top 

 Behandelmogelijkheden
Oogheelkundige behandeling
Oogheelkundige aandoeningen die zich vóór het netvlies bevinden, zijn vaak goed te behandelen, bijvoorbeeld scheelziensoperaties en verwijderen van een troebele ooglens. Ook sommige netvliesaandoeningen kunnen behandeld worden, zoals een netvliesloslating, hoewel de functie ook dan vaak blijvend verminderd is. Veel netvliesaandoeningen zijn echter niet te behandelen, evenmin als aandoeningen van de oogzenuw. Behandeling van een lui oog gebeurt in principe op dezelfde manier als bij zich normaal ontwikkelende kinderen. Wel zal steeds zorgvuldig afgewogen worden of de winst die behaald kan worden met behandeling opweegt tegen de belasting die het voor het kind geeft. Bij operaties moet ook gekeken worden of de noodzakelijke nazorg haalbaar is. Bij een kind dat steeds in de ogen wrijft of niet toestaat dat de ogen ingedruppeld worden, is dit een punt van zorg. Tenslotte zijn sommige kinderen gebaat bij een bril.
Brilgewenning Een bril zorgt ervoor dat je scherper kunt zien. Een bril wordt soms niet meteen geaccepteerd door het kind. Als aan de basisvoorwaarden is voldaan, dat wil zeggen de bril heeft de juiste glazen en het montuur past goed, dan is een brilgewenningsprogramma nodig. Per kind en per omgeving verschilt wat haalbaar blijkt te zijn. Het doel is dat het kind langzaam kan wennen en merkt wat positief is aan het dragen van de bril. De brilgewenning start dan ook tijdens activiteiten waarbij je verwacht dat het kind het meeste effect zal merken van de bril. Het dragen onder dwang is over het algemeen geen geschikte methode.
Visuele stimulatie en training Vooral bij cerebrale visuele stoornissen wordt dit toegepast. Deze zijn niet te genezen. Wel wordt soms met visuele stimulatie en training geprobeerd het visueel functioneren te verbeteren. Of dit zinvol is, is onder meer afhankelijk van de aard en de ernst van de visuele stoornis en de leeftijd van het kind. De training kan gericht zijn op het verbeteren van visuele vaardigheden, zoals gericht kijken en volgen. Het is soms al voldoende om de (visuele) omgeving aan te passen met betere verlichting en een goed contrast. Een heel belangrijke omgevingsaanpassing is ook het verlagen van het tempo en het kind meer tijd te geven om te reageren. 
Vergroten van compensatievaardigheden Soms moet een kind leren meer gebruik te maken van de andere zintuigen, zoals het voelen en het horen. Het leren gebruiken van een vaste structuur tijdens de activiteiten kan houvast geven.
Aanpassen van de omgeving De personen rondom een kind (ouders, verzorgers) moeten in de omgang met het kind rekening houden met de visuele stoornis. Soms kunnen aanpassingen in de ruimte zinvol zijn, zoals aangepaste verlichting.  Ook het kiezen van speelgoed met goed contrast is vaak aangewezen.

« Terug naar top 

 Tips voor de omgang met slechtziende kinderen
Tijdens momenten dat u in contact bent met uw slechtziende kind is het belangrijk om rekening te houden met de volgende aspecten wat betreft benaderingswijze en communicatie:

  • Het tempo dat wij, goedzienden, hanteren is veel te hoog voor slechtziende/blinde kinderen die ernstig meervoudig beperkt zijn. Pas het tempo sterk aan de verwerkingssnelheid van uw kind aan.
  • Laat van tevoren weten dat je naar je slechtziende/blinde kind toekomt.
  • Taal moet worden gebruikt om handelingen en gedragingen naar een slechtziend/blind kind toe te verwoorden. Om voorwerpen een naam te geven. Om hen voor te bereiden, maar ook om hen gerust te stellen op dat wat ze niet zien aankomen of niet goed kunnen inschatten. Ook als de betekenis van woorden niet bekend is. De niet taalkundige aspecten van taal worden dan extra belangrijk: stemsterkte, stemhoogte, klankkleur, intonatie en snelheid van spreken. Bovendien is de sfeer waarin iets gezegd wordt vaak belangrijker dan de inhoud van de taal.
  • Lichamelijk contact en fysieke nabijheid zijn erg belangrijk. Men moet er dan ook rekening mee houden: of een aanraking prettig wordt gevonden, hangt af van wie het doet, hoe deze persoon het doet en de stemming van beide personen en in welke situatie je beiden bent.
  • Herkenbaarheid, continuïteit en voorspelbaarheid zijn belangrijke begrippen. Zo krijgt uw slechtziende/blinde kind greep op de mensen, dingen en patronen om hem of haar heen. 
  • Een aspect dat bewust gebruikt kan worden in de communicatie met slechtziende/blinde kinderen, is de geur van een persoon en dat kan zowel een - voor elke persoon zeer specifieke - lichaamsgeur zijn als een bepaald parfum dat altijd wordt opgedaan.
  • Ga bewust om met afleidbare geluidsprikkels, zoals radio/televisie. Dan kan uw slechtziende/blinde kind voor hem belangrijke geluiden nog wel waarnemen, zoals bijvoorbeeld het horen van uw voetstappen.

« Terug naar top 

 Spel
Zelfactiviteit en zelfontwikkeling zijn belangrijke begrippen. Ouders of opvoeders moeten de omgeving zo inrichten dat het kind actief (hoe minimaal ook) kan worden. Om de meeste ontwikkelingskansen te bieden is het nodig om zo vroeg mogelijk een juiste omgeving aan te bieden.  

  • Bied een veilige spelomgeving (geen scherpe randen, zorg dat het materiaal niet gemakkelijk om kan vallen etc.). Bij nieuw materiaal is het voor het slechtziende kind vaak belangrijk dat er een vertrouwd persoon in de nabijheid is.
  • Zorg dat er spelmateriaal is en blijft. Bijvoorbeeld door het te bevestigen aan een speelboog, de box, kleding en/of rolstoelblad. Een slechtziend/blind kind kan anders het spelmateriaal niet of met moeite terugvinden.
  • Zorg dat afleidbare geluidsprikkels, zoals televisie en radio, uitgezet worden. Zo kan uw slechtziende/blinde kind de geluidsprikkels van het speeltje goed waarnemen en al zijn aandacht op het spel richten. 
  • Accentueer prikkels die uw slechtziende/blinde kind waarneemt. Bijvoorbeeld door, als er sprake is van visuele restfunctie, zorg te dragen voor een goed contrast tussen het spelmateriaal en de achtergrond (bijv. blauw-geel of zwart-wit). 
  • Laat prikkels die te moeilijk of te verwarrend zijn weg. Veel slechtziende kinderen kunnen geen selectie maken uit de hoeveelheid visuele prikkels die wordt aangeboden. Bied daarom niet te veel spelmateriaal tegelijkertijd aan.
  • Maak daar waar nodig gebruik van meerdere zintuiglijke ingangen tegelijkertijd (horen/zien, voelen/horen etc.).
  • Stop nooit onverwachts spelmateriaal in de handen van uw slechtziende/blinde kind. Laat uw kind het materiaal zelf ontdekken.

« Terug naar top 

 Individueel onderzoek
Ieder kind heeft zo zijn eigen unieke mogelijkheden en beperkingen. Dit vraagt om unieke adviezen. Om dit op zo juist mogelijke wijze te doen is individueel onderzoek aangewezen. Zo kan men een goed beeld krijgen van de oogheelkundige problemen, de visuele mogelijkheden, de verstandelijke mogelijkheden, de motorische vaardigheden, de taalontwikkeling, het sociaal emotioneel functioneren, het karakter en de mogelijke zintuiglijke ingang(en) die de ontwikkeling van uw kind kunnen stimuleren.

Josefien Klein Kranenbarg, orthopedagoog GZ-psycholoog.
Hélène Verbunt, orthoptist.
Zij zijn werkzaam bij Sensis, Regionaal Centrum Nijmegen en Diagnostisch Centrum Grave.  
Juni 2005

« Terug naar top 

 Aanvullende informatie

Websites van organisaties voor zorg, onderwijs en diensten aan slechtziende en blinde mensen
www.bartimeus.nl
www.onderwijs.sensis.nl
www.visio.org

Literatuur
Basale stimulatie 
A. Fröhlich, ISBN 90-5350-405-2
Kinderen die slecht zien
D. Gringhuis,  J. Moonen, P. Woudenberg (red.), ISBN 90-313-2111-7
Speciaal spel voor speciale kinderen
J. Hellendoorn, I. van Berkelaer, Onnes, ISBN 90-313-27-697
Meervoudig gehandicapten
Nakken H. (red.), ISBN 90-6069-892-4
Inzicht in Zien; wegwijs in de oogheelkunde
Prof. dr. G.H.M. van Lith (eindredactie),  ISBN 90-75669-03-8
Kinderen met een visuele handicap
F.M. Meire, J.W. Delleman en N. La Grange, ISBN 90-334-3285-4
Werkboek voor de begeleiding van kinderen met visuele perceptiestoornissen (CVI),
I. Delaet, Van Maeleke, T. Vanreybrouck, G. Vissenaekens, ISBN  90-334-51425

Overige bronnen
'Visual impairment. Prevalence and causes of visual impairment in adults with intellectual disabilities'
Proefschrift J. van Splunder (2003)
Richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van visuele stoornissen bij verstandelijk gehandicapten.
Nederlandse vereniging van Artsen in de Zorg voor mensen met een verstandelijke handicap (1997)