Word lid!

Epilepsie

De kans op epilepsie is bij kinderen met handicap(s) door hersenbeschadiging of een aanlegstoornis van de hersenen groter dan bij mensen zonder beperkingen. Vaak ontstaat epilepsie bij hen op jonge leeftijd.

De prognose is minder goed. Het kan heel moeilijk zijn om een behandeling te vinden die het kind aanvalsvrij maakt. Soms lukt dit niet. Dan is het doel van de behandeling zo min mogelijk en zo licht mogelijke aanvallen met zo weinig mogelijke bijwerkingen.

 

De diagnose epilepsie stelt de dokter op de beschrijving van een aanval. Als het verhaal niet duidelijk is, kan een elektro-encefalogram (EEG) helpen. Hierop kunnen epileptische afwijkingen tussen twee aanvallen in. Het beste bewijs voor epilepsie is als een kind tijdens de registratie een aanval krijgt. Dan worden de hersengolven tijdens de aanval geregistreerd.

 

Vaak is de oorzaak van de hersenbeschadiging al bekend als de epilepsie voor het eerst optreedt. Zo niet, dan vindt onderzoek naar de oorzaak plaats. Dit kan door een hersenscan (MRI), stofwisselingsonderzoek, chromosomenonderzoek, onderzoek naar het optreden van infecties tijdens de zwangerschap en onderzoek door andere specialisten als oogarts, huidarts, klinisch geneticus enz.

 

De behandeling met medicijnen is tweeledig. De ouders moeten leren omgaan met de aanvallen (eerste hulp). Dit betekent het vrij maken en houden van de luchtwegen en zo nodig (bij een aanval van meer dan 3 minuten) het zelf onderbreken van de aanval. Meestal gebeurt dit door het recataal toedienen van vloeistof (rectiolen) met diazepam of een andere werkzame stof.

 

Vervolgens worden er medicijnen voorgeschreven om de aanvallen te onderdrukken. Niet voor genezing, maar om aanvallen te voorkomen. Een medicijnbehandeling slaat vaak goed aan. Toch blijft het uitproberen of een geneesmiddel of andere behandeling (zoals het ketogene dieet) succes heeft.

 

In sommige gevallen kan een operatie uitkomst bieden. Dit kan echter alleen als de afwijking slechts op één plaats zit. Het verwijderen van die afwijking moet daarbij geen risico vormen voor nieuw hersenletsel.