Word lid!

Kijken

Kinderen met een meervoudig complexe handicap kunnen een visuele stoornis hebben. Als ouder merk je meestal het eerst dat je kind bijvoorbeeld niet gericht kijkt naar speelgoed of nauwelijks oogcontact maakt. Maak je zorgen kenbaar en vraag om verder onderzoek of verwijzing bij de behandelende specialist. Een kinderarts, kinderneuroloog of revalidatiearts kan onderzoek doen naar visuele stoornissen bij je kind.

 

Wat is een visuele stoornis?
Hoe herken je een visuele stoornis?
Onderzoek

 

 

Wat is een visuele stoornis?


Een visuele stoornis kan veroorzaakt worden door een oogaandoening of door een afwijking aan de visuele banen en visuele verwerkingsgebieden in de hersenen (cerebrale visuele stoornis). Een combinatie van afwijkingen komt vaak voor. Dit is begrijpelijk omdat ogen en hersenen zich in nauwe samenhang met elkaar ontwikkelen.

 

Veel voorkomende oogaandoeningen bij kinderen met een verstandelijke handicap zijn onder meer brilafwijkingen, scheelzien, een trilbeweging van de ogen (nystagmus), lenstroebeling (cataract), aandoening van het netvlies (retinopathie) en aandoening van de oogzenuw (opticusatrofie). Niet elke oogaandoening leidt tot (blijvende) slechtziendheid.

 

Een groot deel van de hersenen is betrokken bij het zien. Beschadigingen van de visuele banen in de hersenen resulteren in cerebrale visuele stoornissen (CVI). Mogelijke oorzaken voor de beschadigingen zijn: infecties van het centraal zenuwstelsel, schedeltrauma, epilepsie, witte stofaandoeningen, stofwisselingsaandoeningen, circulatiestoornissen (zuurstofgebrek), aanlegstoornissen van de hersenschors en blijvende hersenbeschadigingen bij kinderen (infantiele encephalopathie).

 

Een cerebrale visuele stoornis kan zich op verschillende manieren uiten. Verminderde gezichtsscherpte of een beperkt gezichtsveld. Maar een kind met MCG kan ook problemen hebben met visuele waarneming (betekenis geven aan wat je ziet), bij het verwerken van zintuiglijke prikkels of het koppelen van informatie van verschillende zintuigen tegelijkertijd. Problemen met de oogbewegingen kunnen ook een gevolg zijn.

 

Hoe herken je een visuele stoornis? 

Er zijn verschillende signalen die kunnen duiden op een visuele stoornis. Je kunt signalen waarnemen op het gebied van uiterlijk, visueel, reiken en grijpen, lichaamshouding, sociaal, spel en gedrag.

 

Uiterlijk

  • de ogen staan niet recht, scheelzien
  • draaien naar of afwenden van het licht
  • trillen van de ogen
  • dwalende oogbewegingen
  • het duwen in de ogen

 

Visueel

  • je kind maakt niet of nauwelijks oogcontact
  • je kind verkort spontaan de kijkafstand
  • je kind staart naar lichtbronnen (lampen, de zon)
  • je kind heeft een 'lege blik
  • het lukt je kind niet om zijn blik op iets of iemand te richten
  • je kind kan niet of slechts kortdurend volgen met zijn ogen

 

Reiken en grijpen

  • niet gericht reiken en grijpen
  • misgrijpen
  • niet kijken tijdens het grijpen
  • niet zoeken naar een gevallen voorwerp

 

Lichaamshouding

  • slappe lichaamshouding, laten hangen van hoofd en schouders
  • weinig rompbewegingen
  • in zit groot steunvlak zoeken
  • scheve hoofdhouding

 

Sociaal

  • niet opkijken als er iemand binnenkomt of weggaat
  • schrikken wanneer iemand in zijn richting beweegt
  • niet graag kijken naar personen of materialen
  • niet reageren als er iets te zien is in de directe omgeving
  • herkennen van ouder uitsluitend van zeer dichtbij of op basis van het horen, ruiken en/of voelen
  • overgevoelig reageren op geluidsprikkels
  • minder veilige contactontwikkeling
  • verstillen

 

Spel

  • niet zoeken naar gevallen speeltje
  • minder verkennen van de spelmogelijkheden/ passiviteit
  • voortdurend herhalen van bepaald spel, nauwelijks spelvariatie
  • voorkeur voor speeltjes met geluidsprikkel
  • voorkeur voor speeltjes waar iets aan te voelen valt
  • kijken naar vingers/ handen die soms heen en weer worden bewogen

 

Gedrag

  • wisselvalligheid in het kunnen gebruiken van het zien
  • niet of nauwelijks visueel nieuwsgierig
  • vertrouwdheid met omgeving of voorwerp kan een groot verschil maken voor het wel of niet kunnen zien
  • spontane kijkactiviteiten zijn meestal kort en komen minder vaak voor
  • bewegende voorwerpen lokken eerder kijkreacties uit dan stilstaande voorwerpen
  • ze zien er vaak niet als slechtziend uit en vaak lijkt het alsof ze mensen rechtstreeks aankijken
  • tegelijkertijd kijken en handelen (zoals bij het grijpen) is moeilijk

 

Soms lijkt het of je kind wel goed kan zien, en dan ineens weer niet. Door deze wisselvalligheid in het visueel functioneren is het voor jou als ouders vaak moeilijk om een juiste inschatting te maken van de visuele mogelijkheden van je kind.

 

Onderzoek


Voor kinderen die meervoudig complex gehandicapt zijn de volgende onderzoeken mogelijk:

  • oogheelkundig onderzoek
  • orthoptisch onderzoek
  • onderzoek naar visuele functies

 

Een oogarts kan onderzoeken of het oog gezond is en of een kind een bril nodig heeft. Ook kan hij scheelzien of trilling van de ogen bekijken.

 

Een orthoptist houdt zich bezig met de behandeling van een lui oog en scheelzien. Hij onderzoekt of alle oogspieren goed werken en de ogen naar alle kanten kunnen bewegen. Ook beoordeelt hij hoe het zien zich ontwikkelt.

 

Het onderzoek naar visuele functies gebeurt met testkaarten met een grijze achtergrond waarop aan één kant iets staat (zoals het zwart-wit streeppatroon bij Tellerkaarten) en aan de andere kant niets. Een kind kijkt liever naar iets dan naar niets en zal de blik richten op de afbeelding of het patroon. Dit wordt 'preferential looking' genoemd (de voorkeur om naar een patroon te kijken in plaats van een egaal vlak). Hoe smaller de streepjes waar het kind naar kijkt of hoe smaller de contour van de afbeelding waar de blik op gericht wordt, hoe beter de gezichtsscherpte is.

 

Als het niet mogelijk is met testkaarten te meten, kan een indruk van de gezichtsscherpte verkregen worden door te kijken of steeds kleiner wordende balletjes opgemerkt en eventueel gepakt worden. Naast het vermogen details te zien, is het hebben van overzicht belangrijk voor het zien. Het gezichtsveld van een kind met MCG kan worden onderzocht.

 

Deze visuele functies kunnen ook onderzocht worden:

  • kleuren zien
  • contrast zien
  • aanpassing aan het (schemer)donker
  • samenwerking tussen de ogen en oogmotoriek

 

Zien en kijken

Ook als de gezichtsscherpte en het gezichtsveld goed zijn, kan het toch zijn dat je kind niet (goed) kijkt. Omgekeerd komt het voor dat een kind slechtziend is, maar wel goed kijkt.

 

Zien en kijken zijn twee verschillende dingen. Om dit goed in kaart te brengen, is observatie van het visueel functioneren van je kind in het dagelijks leven nodig. 

 

Voor meer informatie over visuele stoornissen en onderzoek verwijzen we je naar organisaties voor onderwijs, zorg en dienstverlening zoals Bartimeüs, De Brink, Sensis, Visio.